Hoera een Amsterdammer / Hopen op Harderwijk
Geschreven voor ROEF festival
Ik ben in Amsterdam-West geboren en mijn eerste kind ook, ik ben opgegroeid in Oost, in Noord ben ik voor het eerst gaan samenwonen, in Zuid ben ik gaan kraken. In De Pijp ben ik depressief geworden en in de Rivierenbuurt is mijn tweede kind geboren. Ik zat op het Geert Grote, op het Gerrit van der Veen èn op het Montessori College. Ik heb vier weken gestudeerd aan de VU een jaar aan de HVA en vijf jaar aan de UvA.
Ik ben best wel een èchte amsterdammer, voor zover zoiets bestaat.
Eigenlijk ben ik van al mijn labels misschien wel het liefst een Amsterdammer. Als je me een vrouw noemt denk ik ‘Moet dat nou?’ als je zegt dat ik een Nederlander ben dan voel ik wat schaamte en zelfs een beetje afkeer.
Ik ken ook het tweede couplet van ‘Aan de Amsterdamse grachten’ uit mijn hoofd en ik heb een vriendin die 10 meter buiten de ring is gaan wonen jaren niet gezien.
Toen ik 9 werd hebben we op mijn verjaardag geschaatst op de Amstel,
Toen ik 15 werd heb ik met de vriendin, die later buiten de ring is gaan wonen, synchroon gekotst in een prullenbak die daarvoor aan twee kanten toegankelijk was, in de Leidsestraat.
Maar nu pas ik niet meer. De kinderdagverblijven in onze buurt hebben een wachtlijst van 8 maanden, en met één inkomen en twee kinderen is het hier te duur. De stad is te klein voor mij, de huizen te schaars voor mijn kleine nieuwe amsterdammertjes.
Toen ze geboren werden kregen ze en cadeautje van de gemeente en een kaart waarop stond ‘Hoera, een Amsterdammer’. Aardig ofzo maar wat de fuck heb ik daaraan als we nu hopen op een huis in Harderwijk?
Denken ze daar dan ook ‘Hoera een Amsterdammer?’
En er is hier plek zat, huizen waar nu geen herinneringen maar winst gemaakt wordt. Huizen waar alle nieuwe en oude Amsterdammertjes kunnen opgroeien, en trouwens, die 700 mensen die in Ter Apel buiten slapen ook. En dan hoeft er nog geen expat uit te worden gezet.
Ik ben blij met mijn stadje maar ik pas niet meer. En niet door gebrek aan plek maar gebrek aan principes. Amsterdam is niet vol, Amsterdam is leeg, helemaal leeggezogen. Er zijn etalages vol onbetaalbare kleren, winkels speciaal niet voor ons, er zijn fietspaden waar geen fietser meer op kan rijden. Alle huizen boven de markt staan leeg, alle huizen in de winkelstraten staan leeg, alle huizen die dure mensen kopen om aan normale mensen voor dure prijzen te verhuren maar waarbij de dure mensen wachten op goedkopere bouwprijzen of voordeligere kutcontracten, staan leeg.
De inhoud moet terug, de rebellie. De mensen met kapsels die ècht niet sociaal geaccepteerd zijn, de cafés waar Hettie en Neel samen een vaasje achterover tikken en hun sjekkies roken. Ik wil een Marina en een Inge in elke buurt. Amsterdam moet weer iets gaan betekenen behalve een manier om geld te verdienen. En dat kan gewoon, het is niet dood of te laat of vergeven, Amsterdam kan bijvoorbeeld gewoon het nieuwe Amsterdam worden, dat lijkt me nou wel wat. Het zijn allemaal beslissingen van echte mensen, niet een soort onomkeerbaar noodlot.
Ik heb de burgemeester een relatief wanhopige brief geschreven waarin ik me afvraag hoe ik hier kon blijven, ik kreeg een brief terug van Jeanette waarin stond ‘Heeft u wel eens aan kopen gedacht?’. ‘Lieve Jeanette, ik kan denken wat ik wil maar ik ben opzoek naar een plek om in te wonen.’
En nu hoop ik op een huis in Harderwijk, en dat we dan niet meer in de woonkamer hoeven slapen, en dat de ramen van dubbelglas zijn zodat we de energierekening misschien ook nog kunnen betalen. En ik weet niet of je daar wel een plek hebt waar je midden in de nacht een pistoletje oude kaas kan halen. En ik ben een moeder, geen dronken scholier meer dus natuurlijk maak ik me zorgen over mijn kinderen en waar ze straks synchroon moeten kotsen in Harderwijk.