I. Lavender Haze

Ik ben getrouwd omdat ik mezelf sommige patriarchale fantasieën toe sta. Ik ben getrouwd omdat ik hou van de belofte, van het absurde, van het geloven. En gelukkig wilde mijn partner ook met mij trouwen, niet iedereen waarmee ik geweest ben had dat zien zitten. 

Ooit had ik een vriendje die ik heb leren kennen in het Vondelpark. Hij was een soort Punkertje die op het Barlaeus Gymnasium zat, een vreemde combinatie. Op het Barlaeus had je een onderscheid tussen de mensen die voor-school zaten en de mensen van achter-school. Hij hoorde bij de mensen achter-school. Het uitschot of de punkers, wat alto’s en andere vreemde vogels. Die jongens daar vonden zichzelf behoorlijk alternatief, in wezen waren ze net zo bourgeois als andere gymnasiasten alleen voelden ze zich daar een beetje te goed voor. Het waren politiek geëngageerde mannen die te jonge meisjes aanranden als ze te veel gedronken hadden. Het waren de ‘feministen’ die het concept mansplaining belichaamden. 

Maar ik was vijftien en nog niet zo goed in uitkiezen. Hij versierde mij dus in het Vondelpark, of ik hem, dat weet ik niet goed meer. Kort voor ik hem leerde kennen was ik met een van zijn vrienden gegaan, De Drummer. De Drummer in kwestie bleek een vriendin te hebben, een heel lief meisje dat ook niet zo goed in uitkiezen was. Ik zat op de wc in mijn ouderlijk huis en wilde een vriendin sms’en dat hij een slet was.  Dit was nadat ik ontdekt had dat hij een vriendin had. Ik zal hem voor nu even Thijs noemen. Dus ik typte op mijn oude Nokia met mijn T9 drukknopjes: ‘Thijs is een slet, hij heeft een vriendin’. Vervolgens stuurde ik dat per ongelijk aan Thijs.

In een moment van paniek op de wc heb ik het één na domste van mijn leven gedaan, namelijk Thijs nog een sms gestuurd met daarin ‘Sorry, andere Thijs.’

Daarna was het tussen mij en Thijs De Drummer dus wel afgelopen. Toen heb ik een relatie gekregen met een vriend van De Drummer, Het Punkertje van achter-school. Hij luisterde naar The Libertines en zat in een bandje dat oefende in de Vrankrijk, samen met De Drummer natuurlijk. Ze traden soms op, dan ging ik mee. Ik droeg de spullen, dronk wat biertjes en sprong ongemakkelijk op en neer. Bij nader inzien paste ik helemaal niet goed bij de bourgeois punkers. We zijn na een tijdje met zijn allen samen gaan wonen in een kraakpand achter het Vondelpark. Ik was toen zestien en zat nog op school, zij waren net klaar met eindexamen doen en de vrijheid aan het vieren. Ik zat met bier doordrenkte boeken en katers in de les. Op een dag vroeg mijn maatschappijlerares waarom ik de week daarvoor niet was komen opdagen en ik biechtte haar op dat ik mijn huis niet uit had gedurfd door de knokploeg die met honkbalknuppels en breekijzers voor onze deur stond. Ze heeft me toen geëxcuseerd omdat ik mijn politieke overtuigingen ten minste in praktijk bracht. De les daarna heb ik met mijn beste vriend een joint in een appel gestoken en er een ‘appelbong’ van gemaakt. Een bong is een soort waterpijp voor stoners die eens iets anders vast willen houden dan een joint. De maatschappijlerares kwam langs en complimenteerde ons voor onze creativiteit. Misschien was zij gewoon een heel optimistisch persoon.

Het Punkertje van achter-school werd steeds bozer, niet alleen meer op de politiek of de grote bazen maar ook op mij. Hij vond me beklemmend, verstikkend en burgerlijk. Ik paste niet in zijn alternatieve plaatje. Hij begon meer en meer te drinken en ik maakte me daar zorgen om. Ik verhuisde terug naar mijn moeder om mijn eindexamen jaar in betrekkelijke rust af te ronden en hij kraakte verder, hij woonde in De Hallen, de oude tramremise waar je nu voor heel veel geld kan eten en kunst kan bekijken. Toen was daar bijna niks, oude tramrails en wat kantoortjes. Hij dronk nog meer en liet dagen niks meer van zich horen. Op een dag belde De Drummer mij dat ik Het Punkertje moest komen halen, dat het niet goed met hem ging. Ik stapte op mijn fiets en belde hem op, ik vroeg wat er aan de hand was en hij schold me de huid vol. Ik hing op en belde de vriendin die ik ook had geprobeerd te sms’en dat De Drummer een slet was. Het was drie uur ‘ s nachts en ze sprong op de fiets. Daar moet ik nog vaak aan denken, dat we toen blindelings om drie uur ’s nachts voor elkaar op de fiets sprongen om te helpen met puberale relatiecrisissen en alcoholistische Punkertjes. We waren toen misschien niet helemaal op orde, en niet altijd te vertrouwen tegenover onze ouders maar we waren wel solidair als de neten, echt pleuris loyaal. 

We zijn samen naar de Hallen gefietst en troffen daar het wezenloos dronken Punkertje en een radeloze Drummer buiten aan. 

Niet lang daarna heeft Het Punkertje het met me uitgemaakt. Als je bezig bent met je leven vergooien kan je daar geen pottenkijkers bij hebben denk ik. Ik had toen mijn eerste echt gebroken hart, ik had gedacht dat de punker en ik een soort toekomst hadden. Ik dacht dat hij en ik het op een vreemde manier wel zouden redden. Maar goed, ik was toen zeventien en hij alcoholist. 

Vorige
Vorige

II. Maroon

Volgende
Volgende

Sardinië II