II. Maroon

Ik had een vriendje dat op het Berlage Lyceum zat, nu woon ik tegenover die school en zie ik de kinderen beginnen met vapen en energiedrankjes drinken en kan ik me niet meer voorstellen hoe wij op die leeftijd van binnen al best volwassen aanvoelde. Het vriendje had donker golvend, lang haar en prachtige bruine ogen. Hij sportte met stokken en dronk zijn whisky zo uit de fles. Hij was mooi, rustig en stabiel, dus het is niks geworden tussen hem en mij. Zijn beste vriend daarentegen, een getroebleerde, knappe mysterieuze jongen met piercings en problemen, daarmee ben ik de toekomst ingezeild.

Hij kwam in de Minds, een café in de Spuistraat waar hele jonge en oude punkers en krakers kwamen om Budels bier voor 80 cent te drinken. Hij versierde daar de knappe meisjes met zwart gesteild emo-haar met verschillende lagen witmakende make-up en eyeliner. Dat deed hij door aan tafel te gaan zitten en gewoon te wachten tot ze met hem mee naar huis wilde. Hij was magnetisch, een beetje gevaarlijk. 

Op een avond was ik daar met mijn twee knapste blonde vriendinnen en was het mijn beurt. Bij nader inzien was hij denk ik liever met een van mijn vriendinnen naar huis gegaan maar een vriend van hem was hem voor. Ik sliep met De Getroebleerde jongen, hij kan zich er niks meer van herinneren maar het was mijn eerste orgasme dus dat vergeet je niet zo snel. De dag erna is hij zo snel als hij kon vertrokken en heb ik niet veel meer van hem gehoord. Voor hem was het een minder memorabele avond ben ik bang.

Jaren later, in de eerste les van mijn nieuwe opleiding Filosofie, zat hij tegenover me. Zijn piercings had hij eruit gehaald en ik herkende hem niet echt meer. We keken elkaar raar aan, negeerden elkaar actief en met hem in de lift naar beneden voelde ik een vreemde elektrische spanning in de lucht hangen. Ik wist niet meer precies wie hij was maar ik voelde dat er iets vreemds aan de hand was. Naast de spanning van het beginnen aan een nieuwe opleiding, onvindbare lokalen zoeken, nieuwe vrienden maken, logische talen oppikken was hij niet het aller belangrijkst. 

Een paar lessen later moesten we voor een nieuwe docent onze namen opschrijven en voor ons neerzetten. Toen keek ik eens wat beter, die naam op dat papier, zijn hoofd, zijn haar. Ik dacht er een wenkbrauwpiercing bij... Hij was zo ontzettend veranderd. De eerste keer dat hij bij mij sliep waren we misschien vijftien, en tijdens de werkgroep was hij bijna tweeëntwintig. Hij was minder dun, minder emo, minder Minds-achtig. In de pauze stuurde ik een vriendin een foto van hem, ik schreef ‘Is dit De Getroebleerde waarmee ik ooit in bed ben beland?’ ‘JA!’ schreef ze, en: ‘Wat is hij verschrikkelijk veranderd.’ 

Dit vond plaats in de derde week van mijn opleiding na talloze lessen samen. En aangezien we toen al bij toeval in dezelfde vriendengroep zaten maar nog geen woord met elkaar hadden gewisseld besloot ik dat het te ongemakkelijk was om nog aan een gesprek te beginnen. We spraken elkaar nog wat weken helemaal niet. We stonden in de pauze naast elkaar sigaretten te roken, we dronken biertjes bij het Atrium café na de hoorcolleges en we gingen zelfs met onze andere twee vrienden uit. Maar wij zeiden niets.

Op een ongemakkelijke avond hadden we afgesproken in De Doos, een undercover café in de Weesperstraat. Onze andere twee vrienden waren allebei te laat, meer dan een uur. Wij zaten naast elkaar met z’n tweeën, we probeerde uit volle macht zo lang mogelijk over ditjes en datjes te praten. Huiswerk, het weer, Wittgensteins Tractatus… Tot het stil viel. Ik kon geen kant meer op en zei: ‘Volgens mij kenden we elkaar al een beetje.’ ‘Ja, ik geloof het ook’ zei hij. Ik was opgelucht dat hij mij niet volledig vergeten was, met mijn nieuwverworven zekerheid zei ik ‘Volgens mij hebben we een keer seks gehad.’ Nog voor ik bij het einde van mijn zin was boog hij zijn hoofd op een typische manier naar beneden terwijl hij het zacht heen en weer schudde en grijnsde. ‘Ja, dat is een tijdje geleden.’ 

Daarna was het ijs wel gebroken, na nog wat drankjes en ongemakkelijk doch opgelucht gelach kwamen onze vrienden binnen en biechtten wij ze op dat we elkaar eerder hadden ontmoet. 

Maanden verstreken, hij was een soort ongrijpbaar, in zekere zin net als vroeger al had hij nu de verschijning van een man. We hadden felle discussies over filosofen, werkten samen aan presentaties en tentamens en werden hechte vrienden. Als we genoeg rosé ophadden belandden we bij elkaar in bed, we vreeën en zoende en vielen in elkaars armen in slaap maar ’s ochtend vertrok hij vroeg en zeiden we er geen woord meer over. We zoende stiekem op de gang bij de toiletten in de kroeg en liepen omstebeurt terug naar boven waar de anderen, met ons als niets dan vrienden bij elkaar zaten. Mijn vriendinnen vielen voor hem, hij begon relaties, ik kreeg vriendjes. We hadden meer dan eens ruzie over een of ander meisje en wie het recht had haar te versieren. Er was geen sprake van jaloezie ten opzichte van elkaar, ik was blij als hij gelukkig met iemand was en dat was wederzijds. Toch, tussen monogame periodes door, bleven we flirten, zoenen en samen wakker worden.

Pas in het laatste jaar van mijn opleiding kwam alles tot een kleine implodatie. We werden toch wel echt een beetje verliefd, we konden niet goed meer doen alsof alleen een soort diepe amicaliteit was en vielen in aanwezigheid van onze vrienden door de mand. We sliepen steeds vaker samen, bleven nachten lang wakker en zagen de zon opkomen terwijl we elkaar zachtjes en even ongemakkelijk als altijd de liefde verklaarden. We zochten excuusjes voor ons geflirt: het was de alcohol, de muziek, de dans of het ritme van de drums. Maar steeds vaker bleef hij in de ochtend, bij de koffie, tijdens het pellen van een mandarijntje. We verlieten elkaars bed niet meer in het holst van de nacht maar sliepen samen uit, zetten samen thee, keken samen films.

Hij bleef steeds meer nachten wakker, en ik moest weer aan de slag. Mijn scriptie schrijven, mijn relaties onderhouden, mijn wallen wegwerken. Ik stond altijd met één been in het vermorzelende nachtleven van Amsterdam en hij kroop daar rond op handen en voeten. Hij dreef af, sliep steeds minder, dronk steeds meer. Hij gebruikte vanalles om maar niet te voelen dat hij de grip op zijn leven verloor. In nuchtere periodes voelde hij zich leeg, ongemakkelijk en niet zichzelf. In bedwelmde periodes was hij steeds vaker kwijt, dagenlang was hij wakker bij vrienden die hem ‘accepteerde zoals hij was.’ Drugs en al. Op mij werd hij boos, mijn zorgen zaten hem dwars, mijn liefde deed hem pijn. Ik bemoeide me teveel.

Hij nam afstand. Ik moest stoppen met hem proberen te repareren, hij wilde stuk zijn zonder mij. Ik liet hem los en verloor hem.

Jaren later zag ik hem in het park met een kopje koffie. Hij was gezond en gelukkig, samen met een lieve vrouw. Ik was zwanger van mijn tweede kind. 

Ik neem aan dat ik hem over een jaar of vijf wel weer tref, in een vergadering over een buurtspeeltuin of toch in een dronken nacht in de stad. Ik neem aan dat we elkaar terug blijven vinden, over een glas rosé en een kommetje gazpacho in de zon. We zijn nooit met elkaar geëindigd maar zo vaak opnieuw begonnen, we reïncarneren naast elkaar door, in andere fases, in andere levens. 

 

Vorige
Vorige

III. Anti Hero

Volgende
Volgende

I. Lavender Haze