III. Anti Hero
Ik heb last van een recidiverende depressie. Zo staat dat in mijn dossier: PTSS, eetproblematiek, recidiverende depressie. Zo opgesomd klinkt het niet al te best maar van al die woorden trek ik me eigenlijk weinig aan, alleen recidiverend vind ik heel onheilspellend, omdat het een soort belofte is, de rest zou in principe ook in het verleden kunnen blijven tot op zekere hoogte. Recidiverend, dat is toch echt een immens depressieve gedachten? Soms lig ik ’s avonds in bed te woelen en te peinzen over wanneer hij dan weer terug zal komen, en wat dan de aanleiding zal zijn, of dat het me gewoon op een dag bekruipt.
Bij mijn eerste depressie was het nog een normale depressie. Toen wisten ze niet dat hij terug zou komen. Ik denk eigenlijk dat ik als kind en als puber ook wel eens een beetje depressief ben geweest, maar misschien kwam dat niet echt tot zijn volle glorie omdat je dan nog zo ontzettend vast zit in andermans keuzes. Ik bedoel, het beste tegen mijn depressies werkt het om dingen te doen. In bed gaan liggen wachten tot het over is, dat werkt averechts.
Maar hoe ouder je wordt hoe makkelijker het is om in bed te gaan liggen en niks te doen. Je bent immers helemaal zelf verantwoordelijk voor je eigen leven en je eigen geluk. Verschrikkelijk, neoliberalisme, kapitalisme, verschrikkelijk. Als kind word je gewoon uit bed gelicht en naar school gebracht, als puber kan je blowen tot je een ons weegt maar je moet toch naar je proefwerkweek, een schoolfeest of oefenen met tongen. Er is dan zoveel sociale druk om mee te doen dat je wel heel depressief moet zijn om daar tegenin te gaan.
Maar ik heb dan ook nooit een ernstige depressie, gewoon een terugkerende.
Na mijn eerste jaar therapie en antidepressiva dacht ik dat ik genezen was. Ik bouwde zelfstandig mijn medicatie af met een vriendin in Thailand en heb mezelf gezond verklaard. Ik dacht echt dat ik voor altijd genezen was. Nu weet ik wel beter, ik word nooit meer helemaal normaal, of positiever gezegd, ik ben nooit echt helemaal ziek. Ik ben gewoon zo nu en dan ongelofelijk teleurgesteld in mezelf, zo erg dat ik in bed blijf liggen en de wereld mezelf ontgun.
Toen De Getroebleerde vriend depressief was, vroeg hij me hoe hij weer moest gaan geloven dat het leven een soort betekenis heeft, of waarde. Ik, op dat moment helemaal niet depressief, vertelde hem dat ik dat nooit meer was gaan geloven. Er is geen hoger doel, geen extra laag, geen reden. Het is gewoon super veel gedoe en dan ga je dood. En depressief zijn is misschien wel de enige logische reactie op die realisatie.
Hij keek me aan alsof ik niet veel voor hem had betekend. Ik zei: ‘Het punt is niet dat het leven zinvol is, het punt is: Je kan er mee stoppen of doorgaan.’ ‘Heb je het nou over zelfdoding?’ vroeg hij geschrokken. ‘Ja, op zich, of over in bed liggen en er niet meer uitkomen, het maakt voor het punt niet uit hoe je stopt, maar als je wil stoppen staat dat je vrij. Als je dat niet wil, maar hier met mij in een café wil zitten praten over de zin van het leven, dan kan je er misschien beter wat leukers van maken.’ ‘Is het leuk hebben dan de zin van het leven?’ vroeg hij vertwijfeld. ‘Nee, echt niet, het leven heeft geen zin.’
‘Ik snap niet hoe dit me moet opbeuren.’ Zei hij, en zijn schouders zakte als Iejoors oren naar beneden. ‘Ik wil je niet opbeuren, dat moet je zelf doen. Ik wil alleen zeggen dat ik na mijn eerste depressie nooit meer dezelfde lichtheid heb gevoeld als daarvoor. Als je eenmaal één keer hebt ingezien hoe ontzettend waardeloos het allemaal is blijf je dat grauwe randje altijd houden.’ Hij moest lachen, ergens in mijn deprimerende woorden vond hij troost. Alle mensen die hem hadden geprobeerd op te vrolijken waren op discussies gestuit, op weerwoord, op frustratie en onbegrip. Ik vertelde hem alleen hoe het voor mij gegaan was, het leven is waardeloos en zinloos en leeg. Het is geen feest maar eerder een muffe kelder, maar je mag nog steeds zelf de slingers ophangen als je wilt.
Intussen vergeet ik meestal depressief te zijn, dan ontglipt me even hoe nutteloos het allemaal is en leef ik gewoon. Ik zie mijn kinderen de wereld ontdekken met een onovertroffen lichtheid, ik zie ze vallen en schaven en onder de muggenbulten met opgezwollen amandelen een pannenkoek naar binnen schuiven. Ik zie de drang van mijn kind om te leren lopen, gewoon omdat hen wil leren lopen. Zonder een wortel aan en touw en een stok, zonder de belofte van geluk of plezier, gewoon uit een intrinsieke motivatie om te lopen. Ik leer het allermeest van mijn kinderen, meer dan een groot mens me ooit heeft laten zien. We moeten misschien gewoon vooral niet te lang nadenken over de zin van het leven, maar blijven lopen, en kruipen en knuffelen en pannenkoeken met jam eten, zolang we kunnen.