IV. Snow on the beach

De eerste keer dat ik een kind op de wereld zette was tamelijk vreselijk, de tweede keer bizar. Ik heb lang gedacht dat ik misschien niet zwanger kon worden, mijn eerste kind was dus een hele opluchting. Bovendien heb ik zo lang over hen gedroomd en op hen gewacht dat ik al een band had nog voor hen er was. Mijn eerste kind was bovendien de eerste keer dat ik moeder werd, hen heeft mij moeder gemaakt. Het was zo intens en bijzonder en geweldig, eigenlijk voelt hen als een stukje van mij dat zelf doorgroeit. Hen voelt nog vast, alsof de navelstreng nooit helemaal doorgeknipt is. Mijn moeder zei vroeger over de hond: Beer is niet van iemand, Beer is van zichzelf. Zo is het met kinderen natuurlijk ook, maar toch zitten mijn eerste kind en ik in mijn hoofd nog aan elkaar.

Mijn tweede kind, dat is een heel ander verhaal. Tijdens mijn zwangerschap werd ik depressief. Ik begreep zelf niet zo goed waarom want ik was eigenlijk vreselijk gelukkig theoretisch gezien, maar theoretische dingen voel je niet zo erg. Ik geloof dat het helemaal aan mijn hormonen lag. Het is natuurlijk de bedoeling dat je zegt dat het een combinatie is van je leven en je biologie maar eerlijk gezegd geloof ik wat die depressie betreft vooral in de biologie. Wat van buitenaf wel tegenwerkte was mijn angst om te bevallen. Omdat ik mijn eerste bevalling zo vreselijk had gevonden was ik tijdens mijn tweede zwangerschap als de dood dat het weer zo zou gaan. Daarom kon ik niet echt naar het kindje uitzien, want tussen mij en onze ontmoeting stond nog dat verschrikkelijke moment. 

Mijn eerste kind is in ongeveer 3,5 uur geboren mijn tweede zou waarschijnlijk nog sneller gaan. Dat beangstigde me nog meer omdat ik na mijn eerste ervaring had besloten dat ik absoluut niet thuis wilde bevallen en zeker niet ‘natuurlijk’ maar met alle mogelijke pijnstilling. De kans dat ik een ziekenhuis zou halen in minder dan 3,5 uur was alleen heel klein. 

Hoe dan ook, ik was depressief tijdens mijn zwangerschap. Ik zag het grijze randje overal en dacht dat ik een waardeloze moeder was voor mijn andere kind. Ik denk door die depressie, of door het feit dat mijn eerste kindje pas 1 jaar oud was en hen het kind was waar ik mijn hele leven op gewacht en gehoopt had, ik niet echt een band voelde met het kindje in mijn buik. Dat is echt super eng om niet te voelen.

Het is niet dat ik dat kindje niet leuk vond, ik geloofde er gewoon nog niet helemaal in. Ik was een soort agnostisch ten opzichte van mijn eigen zwangerschap. Regelmatig vergat ik dat ik zwanger was, zelfs toen ik al best dik begon te worden. Dan at ik opeens per ongeluk rouwe kaas of fietste ik veel te gevaarlijk door de stad.

Op advies van een soort gezinscoach legde ik mijn hand op mijn buik en probeerde ik een connectie te voelen. Maar ik voelde het gewoon niet. Ik voelde mijn buik. En toen het kindje begon te trappelen dacht ik niet aan kleine mollige beentjes die daar bezig waren met rek en strekoefeningen maar voelde het als darm kronkels.

Ik werd steeds banger voor een postnatale depressie, dat leek me nog vervelender dan een prenatale depressie. Al moet ik zeggen dat de angst voor een postnatale depressie wel het fundament van de prenatale depressie was dus het is de vraag waar ik mentaal precies mee bezig was, maar dat was theorie.

Mijn tweede kind werd thuis geboren, de verloskundige was nog maar net op tijd aangekomen om erbij te zijn. Ze ging oorspronkelijk voelen hoe ver mijn ontsluiting was maar toen kwam mijn kindje al. Het was vanaf mijn eerste weeën tot hen er was in minder dan een uur gebeurt. Het was totaal niet hetzelfde als mijn eerste bevalling, het enige stress moment was onder de douche toen ik mijn partner riep: ‘Je moet nu komen’ en hij zei: ‘Ik ben even aan het bellen.’ En ik dacht: 'Dan moet ik dat kind zelf maar vangen.'

Maar toen kwam mijn soort van zus binnen om op te passen op mijn andere kind en dwong ik haar bij me te blijven. We zijn samen naar de slaapkamer gegaan en daar beviel ik. Op een bed met roze beddengoed omdat ik kort daarvoor alles wat wit was roze had geverfd in een zwangere bui. Waar ik op mijn eerste bevalling vooral negatief terugkijk ging deze bevalling geweldig. Ik weet nog goed dat ik tijdens het persen riep ‘Ik kan dit niet’ en dat de verloskundige zei ‘Je doet het al’. Het aller-allerbest antwoord ooit!

Toen mijn kindje geboren was lag het onder me, ik zat namelijk op handen en knieën, dus niet geplet onder me maar veilig als onder een koepeltje mama. De verloskundige zei: ‘Hier is ze’ en ik keek naar haar over mijn schouder en zei: 'Waar dan?'

Iedereen moest er een beetje van lachen en toen pas bedacht ik me dat mijn kind en ik nog aan elkaar vast zaten en hen dus bij mij in de buurt moest zijn. Ik keek en dacht ‘Wat een verschrikkelijk schattig kindje.’ Bij mijn eerste kind dacht ik ‘Daar ben je eindelijk’ en bij mijn tweede kind dacht ik ‘Wie ben jij eigenlijk?’ Een totaal andere manier van je kind ervaren.

Ik was in ieder geval niet depressief, ik was eigenlijk in mijn roze wolk bed ontzettend gelukkig. Het kindje in mijn armen leek niet bij mij te horen maar bij zichzelf. Ik hield hen vast en zei ‘Hai, ik ben je mama, wie ben jij?’ en het kindje kroop tegen me aan alsof hen wel al lang wist wie ik was. We lagen samen uren in bed op te warmen en te knuffelen. De eerste dagen was ik steeds heel bang dat iemand hen zou komen halen. Ik vroeg mijn partner ‘Mogen we hen echt houden? Blijft hen bij ons?’ en hij zei dan steeds ‘Ja, het is ons kindje schat, hen blijft hier.’ Ik bleef een beetje huiverig omdat ik dacht dat er een arts zou komen om het baby'tje van ons mee te nemen naar een ander gezin, naar een echte moeder. 

En hoewel ik nooit postnatale depressie heb gekregen heb ik voor mijn tweede kind ook nooit dezelfde vreemde vastigheid gevoeld als voor mijn eerste. En dat vind ik eng om te schrijven omdat het niet helemaal ok klinkt. Alsof ik minder van hen houd. Maar zo is het niet, iets niet hetzelfde voelen betekend niet dat het minder voelt. Het is gewoon anders, de eerste heeft mij moeder gemaakt, de tweede heeft mijn kind zichzelf gemaakt. Ik ben vreselijk gek op mijn kleinste kindje, en elke keer dat ik diens hoofdje zie verbaas ik me weer over hoe geweldig en sterk en knap en lief hen is. En elke dag als ik hen uit bed til prijs ik mezelf zo vreselijk gelukkig dat dit kind bij mij mag blijven wonen. Ik voel me ontzettend geprivilegieerd om voor hen te mogen zorgen. En dat is anders dan bij mijn eerste kind, die nog altijd in mijn hoofd aan me kleeft en logischerwijs nooit bij mij weggehaald wordt.

Als jonger brusje heb ik me vaak afgevraagd of je echt van je tweede kind evenveel kan houden als van je eerste, vooral toen ik zwanger was en mijn hele hoofd en zijn, leven en hart nog zo vol zat met mijn eerste kind. Nu geloof ik wel dat het kan, van twee kinderen zoveel houden dat je uit elkaar barst, dat het zeer doet, dat je hart knapt. Maar ik hou anders van ze, even gigantisch veel maar ook heel anders.

Vorige
Vorige

VI. Midnight Rain

Volgende
Volgende

III. Anti Hero